gemonkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·mon·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemonkel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemonkel o [1]

  1. slecht verstaanbaar gepraat
     Ik luisterde liever naar het gestamel van Kluivert, het te kort gedane geneuzel van de De Boertjes, het bitse gemonkel van Overmars of het omineuze zwijgen van Davids en Bogarde.[2]
     Jan kon als hij de geest had ontzettend foeteren op allerlei misstanden in de maatschappij die per direct veranderd moesten worden, en nog liever gisteren. Soms deed hij dat luidkeels, maar meestal via een soort gemonkel dat ik vanachter mijn bureau nét nog kon verstaan.[3]
  2. voortdurend spottend glimlachten
Synoniemen

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Frank Heinen “Seedorf, Ronaldo en hoe je het uiteindelijk toch allemaal voor je ouders doet” (14/01/2014), HP de Tijd
  3. Bronlink Weblink bron “In memoriam: Jan Stassen (1951 – 2015)” (20/07/2015), HP de Tijd
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be