geloop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·loop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geloop
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geloop o [1]

  1. het aanhoudend en onrustig lopen
    • De liefde voor mieren heet formicofilie. Het geloop van mieren of andere insecten over gevoelige lichaamsdelen veroorzaakt bij sommige mensen opwinding.[2] 
    • Hele dag heen en weer geloop, vanaf 23 uur muziek (zware bas), 23:30 uur aangebeld, drie Duitstalige jongens in zware wietdamp aangetroffen.[3] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 6 juni 2015
  3. NRC Mirjam Remie 28 augustus 2016