geklingel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·klin·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geklingel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geklingel o [1]

  1. het rinkelende, tingelende geluid van belletjes
    • Een vrolijk geklingel, afkomstig van 23 belletjes, laat Huub Mikx weten dat er een klant in zijn atelier is. „Dat zijn schapenbellen, gekocht op een markt in Turkije”, legt de edelsmid en beeldend kunstenaar uit. „Ik heb ze beluisterd en meegenomen, En nu hangen ze boven de deur”. Huub springt, slaat met zijn hand tegen de zelfgemaakte deurbel en laat alle 23 belletjes nogmaals rinkelen. „Kom binnen.” [2] 
    • De beren blijven inderdaad op veilige afstand van de mensenwereld. In plaats daarvan horen we het geklingel van koeienbellen, afkomstig van grazende kuddes op de steile, groene grasweiden. [3] 
    • Inwoners van het Zuid-Hollandse dorpje ’s-Gravendeel hebben een bijzonder onrustige nacht achter de rug. De kerkklokken van de Hervormde kerk sloegen om half vijf ’s ochtends op hol. Pas na drie kwartier kwam er een einde aan het onophoudelijke geklingel. [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Tamarah Swensen 12-11-12 Achter de toonbank: Atelier Huub Mikx
  3. De Telegraaf LIES KOMBRINK 23 mei 2013 Hogerop in Harghita
  4. De Telegraaf 18 jul. 2013 Kerkklokken op hol; hele dorp wakker