Naar inhoud springen

geef

Uit WikiWoordenboek
  • geef
enkelvoud meervoud
naamwoord geef -
verkleinwoord - -

degeefm

  1. te ~ (vrijwel) kosteloos
    • Dat is zo goedkoop, dat is te geef! 
vervoeging van
geven

geef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geven
    • Ik geef. 
  2. gebiedende wijs van geven
    • Geef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geven
    • Geef je? 
     Ik houd hem vast, geef enige tegendruk en voor ik het weet, vlijt de hond zich zachtjes tegen mijn bovenbeen.[1]
     ' 'Dus daarom geef je me geen antwoord op de vraag wat je van me denkt?' 'Ik weet niet of het wel zo eerlijk is om je te analyseren.[1]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340