geboden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bo·den

Zelfstandig naamwoord

geboden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebod
Woordherkomst en -opbouw

Deelwoord

deelwoord
onverbogen geboden
verbogen geboden
vervoeging van
bieden

geboden voltooid deelwoord van bieden

  1. vormt de lijdende vorm
    • Er werd klein slem geboden. 
  2. vormt de voltooide tijden
    • Hij had niet genoeg geboden. 
  3. attributief gebruikt
    • Het geboden bedrag was niet hoog genoeg. 
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van gebieden: voltooid deelwoord

Werkwoord

vervoeging van
gebieden

geboden

  1. meervoud verleden tijd van gebieden
    • Wij geboden. 
    • Jullie geboden. 
    • Zij geboden. 

Deelwoord

deelwoord
onverbogen geboden
verbogen geboden
vervoeging van
gebieden

geboden voltooid deelwoord van gebieden

  1. vormt de onpersoonlijke lijdende vorm
    • Er was hem geboden dat over te dragen. 
  2. vormt de voltooide tijden
    • Zij hadden hem dit geboden. 
  3. attributief gebruikt verplicht
    • Ik verwacht dat er, ondanks de geboden voorzichtigheid, spoedig een goed resultaat wordt behaald.  

Gangbaarheid