geblaf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·blaf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geblaf -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geblaf o

  1. het telkens of aanhoudend blaffen
    Het geblaf van de hond van de buren blijkt voor veel mensen de voornaamste bron van ergernis te zijn.