geblabla

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bla·bla
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geblabla
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geblabla o

  1. het doorlopend opgeblazen maar inhoudsloos praten
     De tijden zijn in zoverre interessant dat ze kakofonisch zijn' je moet bijwijlen je oren dichtstoppen tegen het tenhemelschreiende geblabla van de muezzins van de eeuwige vergelding in het ene oor en dat van de filistijnen van het geperoxideerde ressentiment in het andere.[1]
     Quarles van Ufford trok van leer tegen de ontwikkeling dat hulporganisaties hun beleid en doelen vastleggen in dikke beleidsplannen. Hij hekelde het „geblabla over professionaliteit” en riep hulpverleners op om zich „niet te laten verleiden door modern gebabbel over effectiviteit en evalueren.”[2]
Synoniemen


Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[3]


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Nederlander wint Groot dictee 2010” (15 december 2010), Het Parool
  2. Bronlink Weblink bron “„Bestrijding fout regime geen taak voor ontwikkelingswerker”” (11-06-2003), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be