gebinte

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bin·te
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bint met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gebinte gebinten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gebinte o [2]

  1. (bouwkunde) het totaal aan binten (balken) die de hoofdconstructie van een gebouw uitmaakt
Synoniemen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen