gebinten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bin·ten

Zelfstandig naamwoord

gebinten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebint
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebinte
Synoniemen