flap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • flap
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bankbiljet’ voor het eerst aangetroffen in 1954 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flaps
verkleinwoord flapje flapjes

Zelfstandig naamwoord

flap m

  1. beweegbare klep aan een vliegtuigvleugel, bij het landen uitgeklapt om het draagvlak te vergroten
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flappen
verkleinwoord flapje flapjes

Zelfstandig naamwoord

flap m

  1. naar binnen omgeslagen deel van een losse boekomslag, (de achterflap en de voorflap)
    • op de flap stond een kort stukje over de auteur  [3]
  2. (informeel) bankbiljet
  3. omgeslagen stuk van een lap textiel
  4. (medisch) omgeslagen stuk van een lap vlees of weefsel
  5. gebak zoals b.v. appelflap [4]
  6. groot vel papier aan een bord
  7. klep om iets af te sluiten [5] [6]
  8. (kempisch dialect) een samenstelling van de twee Nederlandse woorden flauw en slap. De uitdrukking wordt in de Antwerpse Noorderkempen gebruikt om een uitgeput, maar voldaan gevoel aan te geven na een zware inspanning.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
flappen

flap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    • Ik flap. 
  2. gebiedende wijs van flappen
    • Flap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    • Flap je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen