feestvarken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·var·ken
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestvarken feestvarkens
verkleinwoord feestvarkentje feestvarkentjes

Zelfstandig naamwoord

feestvarken o

  1. de persoon waarvoor het feest gevierd wordt
    • bij een verjaardag is de jarige het feestvarken 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.