emitir
Uiterlijk
- e·mi·tir
emitir
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| emitir |
emitía |
emitido |
| volledig | ||
- overgankelijk uitgeven, uitbrengen
- uitzenden (van program)
- uitgeven, in omloop brengen (van postzegels)
- uiten
- [4] expresar