Naar inhoud springen

embrouille

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  embrouille     l'embrouille     embrouilles     les embrouilles  

embrouille v

  1. (spreektaal) verwarring, probleem, chaos
    «On avait des places pour le concert, mais il y a eu embrouille au niveau des dates.»
    We hadden kaarten voor het concert, maar er was verwarring over de data. [1]
  2. (spreektaal) ruzie, relletje, opstootje
    «Il y a eu une embrouille en sortant du concert, mais les keufs ont laissé faire.»
    Er was een relletje toen het concert afgelopen was, maar de smerissen hebben zich er niet mee bemoeid. [1]
vervoeging van
embrouiller

embrouille

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van embrouiller
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van embrouiller
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van embrouiller