eczema

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Handen met eczema.
Uitspraak
Woordafbreking
  • ec·ze·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eczema eczema's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

eczema o

  1. (medisch) jeukende ontsteking van de huid
    • Hij had toen al zeer veel eczema en droeg altijd handschoenen om dat te verbergen. [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ec·ze·ma
enkelvoud meervoud
eczema eczemas

Zelfstandig naamwoord

eczema m

  1. (medisch) eczeem
Synoniemen

Verwijzingen