Naar inhoud springen

dwaasheid

Uit WikiWoordenboek
  • dwaas·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord dwaasheid dwaasheden
verkleinwoord - -

dedwaasheidv

  1. de toestand van dwaas zijn
    • Dat is de dwaasheid gekroond. 
     Een dier omringd door de dwaasheid van mensen, met al hun rare ruches en manchetten, hun zijden gewaden en hun aanstellerij, de spiegels, gezichtshoeken en standpunten; alle manieren waarop ze proberen geen dieren te zijn en hoe komisch dat is, nu hij het zo bekijkt En dat de hond het enige op het schilderij is wat niet lichtelijk belachelijk is of gevangenzit in een net van ijdelheden.[1]
  2. een dwaze handeling
     Was het geen enorme dwaasheid om de zuster aan zulke gevaren bloot te stellen? Maar tijd om na te denken was er niet; ze moesten opschieten wilden ze voor zonsopgang het terrein bereiken.[2]
    • Hij beging opnieuw dwaasheden, waarvoor hij zwaar gestraft werd. 
     Dit boek helpt ons om een kalmere, authentiekere, soms luchtigere relatie aan te gaan met de dwaasheden en obsessies van onze tijd.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Samantha Harvey
    “In Orbit” (2024), De Bezige Bij op Wikipedia, ISBN 9789403135625
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2022), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045045979
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
naamwoord dwaasheid dwaashede

dwaasheid

  1. dwaasheid