dualist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·a·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dualist dualisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dualist m [1]

  1. iemand die alleen maar in zwart en wit denkt zonder rekening te houden met grijstinten
    • Alle boeken van de neuroloog Antonio Damasio zijn de moeite, maar hier krijg je nog een mooie introductie tot de filosoof Spinoza bovenop. Damasio ziet in Spinoza een protobioloog die beschreef hoe elk organisme streeft naar zelfbehoud. Hij onderstreepte daarbij het belang van emoties, voor het individu en voor de samenleving. Rede en gevoel zijn allebei essentieel, ze zijn als twee handen op een buik. Damasio maakt zo definitief komaf met de dualist Descartes. [2] 
  2. (politiek) iemand die voorstander is van de afzonderlijke verantwoordelijkheden van Kamerleden enerzijds en bewindslieden van diezelfde politieke partij anderzijds
    • Mooi gesproken, meneer Van der Steur. Want als er iets strijdt met het belangrijke staatsrechtelijke ideaal van het dualisme, dan is het dat wat u gedaan hebt. Kamerleden, ook die van de coalitie, moeten het kabinet controleren, niet de eigen partij uit de wind houden. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 20 JANUARI 2012 Tien onmisbare breinboeken
  3. Reformatorisch Dagblad Addy de Jong 28-01-2017 Ook Rutte treft inzake Teevendeal blaam