dovigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·vig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dovigheid dovigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dovigheid v

  1. een beetje doof
    • Poplegende Sting mag dan wat dovig worden, van het hulpmiddel dat hij daar een tijdje voor droeg werd hij ook niet vrolijk. [1] 
    • Hij was ook heel ad rem en kon leuk uit de hoek komen. Aznavour was vrij dovig en droeg een gehoorapparaatje. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
42 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. De Telegraaf 10 nov. 2016 Sting deed gehoorapparaat de deur uit
  2. De Telegraaf BARBARA PLUGGE 05 okt. 2018 Laura Fygi: ’Aznavour vloog voor mij naar Azië!’