dorpskern

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dorpskern
Uitspraak
Woordafbreking
  • dorps·kern
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpskern dorpskernen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dorpskern v/m [1]

  1. het centrum van het dorp vaak rond het dorpsplein en de kerk
    • In Deurne is het aantal dieren de afgelopen vijftien jaar niet of nauwelijks gestegen. „De veestapel rond natuurterreinen is bij dorpskernen afgenomen en op andere plekken explosief gegroeid.” De boeren hebben de „dialoog” gezocht met omwonenden. Hun stallen opengesteld voor bezoekers. En dan nu beweren dat het allemaal de schuld van de veehouders is? „De provincie gaat eraan voorbij dat wij al jaren onze stinkende best doen. Ik ben daar heel boos om. Vind je het gek dat sommige boeren zeggen: dikke lul, drie bier?”[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Arjen Schreuder 27 november 2016