donk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • donk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘moeras, hoogte daarbij’ voor het eerst aangetroffen in 694 [1]
  • v/m Middelnederlands donc "hoogte in een moerassig gebied"[2][3]
  • m herkomst onbekend[4]
enkelvoud meervoud
naamwoord donk donken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donk v/m

  1. een heuvel bestaande uit dekzand die voorkomt in het laaggelegen rivierengebied en uitsteekt boven de latere sedimenten
    • Twee aan elkaar gegroeide dorpen, die in de vroege middeleeuwen ontstonden op één langgerekte donk in het rivierkleigebied. [5]
  2. moerassige plek
Afgeleide begrippen
als toponiem
als linkerdeel van samengesteld toponiem
enkelvoud meervoud
naamwoord donk donken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donk m

  1. (verouderd) bundel in elkaar gedraaide draden of sprieten
    • Reine had een groote houten hark gevat en overkamde daarmede de stoppels, de verstrooide arkens samengarend in ‘donken’, die ze tusschen de stuiken wierp. [6]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen