doelsaldo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doel·sal·do
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doelsaldo doelsaldi
doelsaldo's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doelsaldo o

  1. (sport) (voetbal) het aantal gemaakte doelpunten min het aantal doelpunten tegen
    • NEC had daardoor weinig aan de 2-0 overwinning bij sc Heerenveen. De club uit Nijmegen eindigde weliswaar met evenveel punten als Sparta, maar moet op basis van een slechter doelsaldo de nacompetitie in.[2] 
    • In de 34ste en laatste wedstrijd van het seizoen moet Feyenoord het thuis opnemen tegen Heracles. Ajax speelt uit tegen Willem II. Door de ruime nederlaag van Feyenoord en de grote overwinning van Ajax zijn de Amsterdammers qua doelsaldo een stuk dichterbij Feyenoord gekomen. Feyenoord heeft nu een doelsaldo van +59, Ajax van +54.[3]  

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. doelsaldo op website: Etymologiebank.nl
  2. NRC Robert Hüsken 15 mei 2017
  3. NRC Joram Bolle 7 mei 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be