doelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mikken’ voor het eerst aangetroffen in 1623 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doelen
doelde
gedoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

doelen [3]

  1. ~ op: verwijzen naar iets
    • Als hij spreekt over zijn geboorte stad, doelt hij op Den-Burg op Texel en niet op Den-Helder waar hij eigenlijk geboren is. 
  2. ~ op: zinspelen op
enkelvoud meervoud
naamwoord doelen doelens
verkleinwoord doelentje doelentjes

Zelfstandig naamwoord

doelen m

  1. schietbaan, oefenplaats van de vroegere schutterij

doelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord doel

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie