digit

Uit WikiWoordenboek

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
digit digits

Zelfstandig naamwoord

digit

  1. (wiskunde) cijfer, positie in een getal, decimaal
  2. (anatomie) vinger of teen
vervoeging
onbepaalde wijs to  digit 
he/she/it  digits 
verleden tijd  digited 
voltooid
deelwoord
 digited 
onvoltooid
deelwoord
 digiting 
gebiedende wijs  digit 

Werkwoord

digit

  1. overgankelijk aanwijzen

Gangbaarheid

98 % van de Amerikanen;
98 % van de Britten.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 30 september 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Measures of word prevalence for 61,800 English words” op ugent.be


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  digit     le digit     digits     les digits  

Zelfstandig naamwoord

digit m

  1. (wiskunde) cijfer