dezer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·zer

Aanwijzend voornaamwoord

dezer

  1. (verouderd) genitief en datief v van deze
    • En zal het u niet grootelijks verkorten in naam en eere, dat gij, zulk eene treffelijke en bevoorrechte dochter van Pallas, de spere der kracht en der kennis richt tegen de borst dezer uitnemende moeder, en haar zelve verwondt en den hartaar afsteekt?"[1] 
  2. genitief mv van deze
    • Hij zal daar een dezer dagen wel naar terugkeren. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Eene herinnering aan eene beroemde vrouw
    Bosboom-Toussaint