decimeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ci·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ter dood brengen, uitdunnen’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse décimer (met het voorvoegsel de-) met het achtervoegsel -eren [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
decimeren
decimeerde
gedecimeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

decimeren

  1. overgankelijk sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
    • De Romeinen decimeerden als straf een bevolkingsgroep door iedere tiende persoon te doden. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen