decent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·cent
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen decent decenter decentst
verbogen decente decentere decentste
partitief decents decenters -

Bijvoeglijk naamwoord

decent

  1. netjes, fatsoenlijk, eerbaar, keurig
    • Het meisje moest toen ze naar de kerk ging decente kleiding aantrekken van haar ouders. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.