dasspeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

man met das en dasspeld
verschillende dasspelden
Uitspraak
Woordafbreking
  • das·speld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dasspeld dasspelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dasspeld v/m [1]

  1. speld die men op een das kan bevestigen als sieraad
    • Op de tentoonstelling - die heel wat jaren voor het heden ophoudt - is te zien hoe ook de vroegste fotografie doordesemd is van een mentaliteit die je raar genoeg vooral met de late twintigste en eenentwintigste eeuw associeert. Eind negentiende eeuw verstoppen fotografen al minicamera’s in schoenzolen, dasspelden, horloges, hoge hoeden - en niet alleen omdat ze een hoofdrol denken te spelen in een detective.[2] 
    • Dat het mannenhorloge het afgelopen decennium is uitgegroeid tot een letterlijk fors modestatement, is bij Christie’s goed te zien. De aangeboden horloges zijn groot en voorzien van opzichtige knoppen en vele ‘complicaties’: eeuwigdurende kalenders, chronografen, maanstanden, dieptemeters en wat niet al. Girod: „Na het verdwijnen van de dasspeld in de jaren zeventig hadden mannen heel lang geen accessoires die ze konden koesteren. De laatste jaren zijn mannen zelfbewuster geworden. Horloges, manchetknopen, een scooter, het kan en mag weer.”[3]  
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Lucette ter Borg 9 juli 2010
  3. NRC Arjen Ribbens 24 oktober 2009