dartelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dar·te·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dartelen
dartelde
gedarteld
zwak -d volledig

Werkwoord

dartelen

  1. inergatief speels en vrolijk heen en weer rennen
    • De kalveren dartelden door de weide. 
  2. ergatief speels en vrolijk ergens heen rennen
    • Zo was hij onbezorgd door zijn jeugd gedarteld. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.