Naar inhoud springen

daarvan

Uit WikiWoordenboek
  • daar·van
  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     van  
 persoonlijk     ervan  
aanwijz.  nabij     hiervan  
  veraf     daarvan  
  vragend/betrekk.     waarvan  

(scheidbaar)
daarvan

  1. van dat, van die
    • Daarvan bestaat een tweede uitgave. 
    • Ik heb zonnecellen op mijn dak. Het voordeel daarvan is dat de elektriciteitsrekening lager is. 
     De eerste helft van deze eeuw was het een rommeltje in de kunsthandel, en we zitten nog steeds met de brokken daarvan.[1]
     Ook hier geen tapijten of kleden op de grond, geen schilderijen aan de muur, slechts een bed zonder matras en een kledingkast. Toen ik de deur daarvan opendeed, zag ik een heel slagwerk aan ijzeren hangertjes hangen, maar verder was hij leeg.[1]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be