civisme

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ci·vis·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord civisme -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

civisme o

  1. burgerzin
Hyponiemen

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.