cicatrice

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
cicatrizar

cicatrice

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizar
vervoeging van
cicatrizarse

cicatrice

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizarse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizarse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van cicatrizarse