chófer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Spaans

enkelvoud meervoud
chófer chófers
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

chófer m

  1. (beroep) chauffeur
    • Había un enorme Jaguar aparcado a pocos metros. El chófer, de uniforme gris oscuro, casi negro, leía un periódico apoyado en el capó.  [1]


Verwijzingen

  1. Arturo Pérez-Reverte, El club Dumas, 1993 (2008 uitg., ISBN 978-84-663-2070-2)