chauffeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

chauffeur (beroep)
Uitspraak
Woordafbreking
  • chauf·feur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘autobestuurder’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • afgeleid van het Franse 'chauffeur' (stoker) (met het achtervoegsel -eur) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord chauffeur chauffeurs
verkleinwoord chauffeurtje chauffeurtjes

Zelfstandig naamwoord

chauffeur m

  1. (verkeer) de bestuurder van een motorvoertuig (ook (beroep))
    • De chauffeur verloor de macht over het stuur en daarom vloog de auto de berm in. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen