centralist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·tra·list
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord centralist centralisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

centralist m

  1. (beroep) iemand de werkt op de meldkamer van de hulpdiensten
    • Aan de voet van de vulkaan belden ze het alarmnummer. De centralist zei dat een ambulance minstens een uur nodig had om in de buurt te komen van het gebied, dat verder niet als risicovol bekend staat. [1] 
    • De beroepsvereniging voor verpleegkundigen wijt dit aan een computersysteem in de meldkamer dat 'al bij een bloedende vinger' een wagen met sirenes stuurt. V&VN wil dat de centralisten meer ruimte krijgen om door te vragen wanneer iemand 112 belt. [2] 
    • Drie fietsendieven die donderdagavond in Dordrecht op de hielen werden gezeten door de politie zijn uiteindelijk opgepakt dankzij een alerte centralist. [3] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Tubantia Sanne Riepema & Mark Zaremba 11-01-17 Mia kan haar Canadese helden eindelijk bedanken
  2. Tubantia Hanneke van Houwelingen 11-01-17 Ambulance rukt veel te vaak uit voor niks
  3. Tubantia 11-01-17 Centralist voorspelt vluchtroute, pakt dieven