carpooling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

parkeerplaats voor carpoolers
Uitspraak
Woordafbreking
  • car·poo·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘het gezamenlijk gebruik maken van één auto’ voor het eerst aangetroffen in 1980 [1]
  • samenstelling uit het Engels van car en pooling [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord carpooling
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

carpooling v/m

  1. het met meerdere mensen in één auto van en naar het werk rijden
    • Een andere ambitie is niet opgegeven: Alphabet wil onder meer met Fiat-Chrysler autodeeldiensten ontwikkelen en begeeft zich op Ubers terrein. Het model dat Uber bedacht - efficiënter vervoer door vraag en aanbod en locatiegegevens te combineren - is ook Google op het lijf geschreven. Dat bedrijf heeft locatiedata van een miljard gebruikers, een digitale kaart en ‘sociale’ navigatiesoftware van Waze. Waze laat automobilisten ritten met elkaar delen door te carpoolen.[3] 
    • In de kwakkelende economie raakte het carpoolen wat uit de gratie. Nederlanders zitten steeds vaker alleen in de auto, stelt het KIM. Passagiers in de auto zijn de laatste tien jaar met 13 procent gedaald. Vooral mannen mijden het bijrijden. Zij zitten duidelijk minder vaak naast de chauffeur of op de achterbank.[4]  
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen