butler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • but·ler
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘huisknecht’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • Van het Engelse butler, dat weer afgeleid is van het Oudfranse boteillier (“dienaar verantwoordelijk voor de wijn”)
enkelvoud meervoud
naamwoord butler butlers
verkleinwoord butlertje butlertjes

Zelfstandig naamwoord

butler m

  1. (beroep) de leider van de huisbedienden, hoofd van de huishouding, en fungeert als persoonlijke assistent.
    • In rijke huishoudens wordt er wel eens een butler in dienst genomen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen