buitenboel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·boel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenboel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buitenboel m

  1. de buitenkant van een gebouw
     Als ze in hun oliepak met de tuinslang de tegels van de oprit schoonspuiten, bieden ze buren die niet zo’n lange tuinslang hebben vaker wel dan niet aan om die van hen te lenen, zodat zij ook de groene aanslag kunnen verwijderen voordat die zich vasthecht en ze de laatste restjes winter of zomer kunnen wegspoelen; als zo’n uitwisseling van gereedschap niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de buren niet thuis zijn, zal de buurman die al lekker bezig is met de lente- of herfstschoonmaak van de buitenboel op eigen initiatief de oprit van de buren een snelle beurt met de tuinslang geven, als vriendendienst.[1]
     Slecht onderhoud drukt de waarde van de woning. Daarnaast ben je vaak meer kwijt als de buitenboel niet op tijd is aanpakt. Afbladderende verf en openspringende naden kunnen namelijk houtrot veroorzaken. Zorg ervoor dat de schilderklus op tijd en goed wordt gedaan. De volgende tips van Vereniging Eigen Huis voor beter buitenschilderwerk helpen jou daarbij.[2]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Johan Harstad (vert. Edith Koenders en Paula Stevens) “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium op Wikipedia, ISBN 9789057598500
  2. Bronlink geraadpleegd op 5 februari 2022 Weblink bron “8 tips voor buitenschilderwerk”, Tubantia