boosteren
Uiterlijk
- boos·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| boosteren |
boosterde |
geboosterd |
| zwak -d | volledig | |
boosteren
- iets versterken door het nogmaals te doen of toe te dienen
- een extra keer vaccineren om de immunologische respons te verbeteren
- ▸ Wat ook meespeelt is dat Nederland er slecht voorstond. "De ziekenhuizen lagen toen nog vol. Weinig mensen hadden een booster gehad en we hadden ongelooflijk weinig kennis over wat er zou gebeuren. Op basis daarvan hebben we gezegd: we moeten wat tijd kopen." In andere landen was die noodzaak er minder, volgens Bonten, omdat ze in de rest van Europa veel verder waren met boosteren.[1]
- ▸ Chronisch zieken maken zich zorgen om de planning van hun boostervaccinatie. Bij de vorige vaccinatieronde kregen ze voorrang, maar nu gaat het boosteren op geboortejaar. Het gevolg voor deze zogenoemde griepprikgroep is dat er meer tijd zit tussen de tweede prik en de boosterprik.[2]
- Het woord boosteren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Weblink bron “Nederland zat een maand in lockdown. Was dat wel nodig?” (Zaterdag 15 januari 2022, 06:00), NOS - ↑
Weblink bron “Frustraties om late boosterprik, chronisch zieken wijken uit naar buitenland” (Donderdag 9 december 2021, 21:26), NOS