Naar inhoud springen

bogen

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Bogen
  • bo·gen
  • In de betekenis van ‘pochen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bogen
boogde
geboogd
zwak -d volledig

bogen

  1. inergatief ~ op: erkenning opeisen voor iets
    • Hij boogde op zijn aanzienlijke kennis van zaken. 
vervoeging van
buigen

bogen

  1. meervoud verleden tijd van buigen
    • Wij bogen. 
    • Jullie bogen. 
    • Zij bogen. 
     En toen Tammo en Jurgen gewichtig met de vogel terugkwamen, bogen de twee onderwijzers zich over de doos en voerden overleg.[2]
     De bladeren van de bananenboom bogen om en de plastic flessen aan de laaghangende takken zwiepten wild heen en weer.[3]
     Naast hem bogen vier medewerkers van het hotel zich beurtelings over twee levenloze kinderen.[4]

debogenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boog
     Hij wachtte in de hall, waar twee trappen in schuine bogen naar boven liepen en samenkwamen in een strik.[5]
97 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]
  • bo·gen

bogen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van bog