blikgroente

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

schappen vol met blikgroenten
Uitspraak
Woordafbreking
  • blik·groen·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blikgroente blikgroentes
blikgroenten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

blikgroente v [1]

  1. groenten die door te conserveren in een afgesloten blik later gebruikt kunnen worden
    • In de vertrekhal van Douala Airport was de revolutie uitgebroken. Er waren buikige C-130 transportvliegtuigen geland; het lossen van de lading liep deels via de passagiersterminal. De bagagekarren die normaal gesproken in treintjes van vier of vijf de koffers over het asfalt reden, waren in gebruik voor het vervoer van pallets flessenwater, dozen blikgroenten, medicijnen, tenten, dekens, laarzen, gasmaskers, ontsmettingsmiddelen. Bole Butake verliet Kameroen nadat hij van een familielid in Bamenda had vernomen dat zijn geliefde oom en diens gezin ongedeerd waren. Uit zijn dorp Noni waren zeven koopvrouwen vermist; ze waren op de onheilsdag met hun manden op hun hoofd naar Lower-Nyos gelopen.[2] 
    • Het is de bedoeling bijna de helft van de club op de markt te brengen. Lazio is nu voor vrijwel honderd procent in handen van de tomatenkoning Sergio Cragnotti, eigenaar van de Cirio-groep voor blikgroenten. Cragnotti wil ongeveer tien miljoen aandelen verkopen en tien miljoen nieuwe aandelen uitgeven. Hij wil wel zelf de controle behouden.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Frank Westerman 26 oktober 2013
  3. NRC Marc Leijendekker 21 april 1998