Naar inhoud springen

bill

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
bill bills

bill

  1. biljet, briefje
    «He gave me a bill of five dollars and two quarters back.»
    Hij gaf me een briefje van vijf dollar en twee munten van vijfentwintig cent terug.
  2. wetsontwerp
    «The Senate was voting on a simulus bill for the ailing economy.»
    De Senaat stemde over een wetsontwerp met stimulerende maatregelen voor de zwakke economie.
  3. rekening
    «I received another medical bill this morning.»
    Ik kreeg vanmorgen weer een rekening met ziektekosten.