bijsteken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

bijsteken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bijsteken
stak bij
bijgestoken
klasse 4 volledig
  1. iets ergens aan toevoegen
    • Kijk in de Vegte hoeft er nu echter maar naar te vragen, en Grives overhandigt hem het geld. Daar kan hij later vijf meier bijsteken na één van de rommeligste opdrachten uit de reeks tot nu. [2] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • een tandje bijsteken
extra je best doen
Het aanpakken van zwart geld bij buitenlandse banken is voor staatssecretaris FransWeekers (Financiën) al jaren een speerpunt. Maar door de berichten over geheime rekeningen in belastingparadijzen gaat hij er nog „een tandje bijsteken”. [3]
Al in de aanbevelingen van de onderzoekscommissie 22/3 rond terrorisme stond dat de gevangenissen een tandje moesten bijsteken en meer deradicaliseringsprogramma’s en opleidingen voor extremistische gedetineerden moesten aanbieden. ‘Ook de religieuze en spirituele ondersteuning kan beter.’ [4]

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen