bezuipen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zui·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezuipen
bezoop
bezopen
klasse 2 volledig

Werkwoord

bezuipen

  1. wederkerend zich ~: drinken met het doel zwaar dronken te worden
    • Op dat feest bezoop hij zich flink en werd handtastelijk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.