bezuipen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zui·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezuipen
bezoop
bezopen
klasse 2 volledig

Werkwoord

bezuipen

  1. wederkerend zich ~: drinken met het doel zwaar dronken te worden
    • Op dat feest bezoop hij zich flink en werd handtastelijk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be