bezoop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zoop

Werkwoord

vervoeging van
bezuipen

bezoop

  1. enkelvoud verleden tijd van bezuipen
    • Ik bezoop. 
    • Jij bezoop. 
    • Hij, zij, het bezoop.