bevreesdheid
Uiterlijk
- Geluid: bevreesdheid (hulp, bestand)
- IPA: / bə'vresthɛɪt / (4 lettergrepen)
- be·vreesd·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bevreesdheid | |
| verkleinwoord |
de bevreesdheid v
- het bang zijn; het vol vrees zijn
- ▸ Zijn bevreesdheid gold overigens niet de tegenstander, maar zijn eigen fitheid. Ronaldo stond de afgelopen drie weken aan de zijlijn vanwege een hamstringblessure en maakte woensdagavond zijn rentree.[2]
- Het woord bevreesdheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Ronaldo was "beetje bang" voor pijn” (Donderdag 24 april 2014, 09:40), NOS