beteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • be·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beteren


beteerde


beteerd


zwak -d volledig

Werkwoord

betéren

  1. (overgankelijk) van een laag teer voorzien
    Zij beteerden de weg en verbeterden daarmee de toegang tot het park.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beteren


beterde


gebeterd


zwak -d volledig

Werkwoord

béteren

  1. (overgankelijk) verbetering aanbrengen met name in moreel opzicht
    Hij beloofde zijn leven te zullen beteren.