bestolene

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sto·le·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bestolene bestolenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bestolene v/m

  1. slachtoffer van een diefstal

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen