beschot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schot
enkelvoud meervoud
naamwoord beschot beschotten
verkleinwoord beschotje beschotjes

Zelfstandig naamwoord

beschot o

  1. houten wandbekleding
    • Ze hebben het beschot wit met rood geverfd. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.