beschaafdheid
Uiterlijk
- Geluid: beschaafdheid (hulp, bestand)
- IPA: / bə'sxafthɛɪt / (4 lettergrepen)
- be·schaafd·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beschaafdheid | |
| verkleinwoord |
de beschaafdheid v
- het welopgevoed zijn; het beleefd zijn
- ▸ Navarro: kwestie van politieke beschaafdheid[2]
- iemand die beleefd en welopgevoed is
- ▸ "Normaal is een Zuid-Koreaan de beschaafdheid zelve. Maar Son is in mijn ogen inmiddels meer een Europeaan dan een Aziaat wat dat betreft", aldus Hong. "In zijn paspoort staat dat hij Zuid-Koreaan is, maar hij speelt als een Duitser en voelt zich ook Duits. Dat is in Zuid-Korea een controversiële uitspraak en hij zal het zelf ook nooit toegeven als je het hem vraagt. Maar zo zie ik het wel."[3]
- Het woord beschaafdheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron Jan Vincent van Zuiden“Son Heung-min, de Zuid-Koreaanse hoop van Tottenham” (Woensdag 8 mei 2019, 06:01), NOS