bench

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bench
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bench benches
benchen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bench m

  1. kooi waarin men een huisdier kan vervoeren of binnenshuis kan houden
     Bij een kelderbrand in Heerlen is een wasbeer ontsnapt. Een bewoner die naar buiten was gevlucht, liet een bench met het huisdier op straat vallen, waarop het deurtje openging.[2]
     Het is aannemelijk dat er nog mensen in de panden zijn, vertelde een ooggetuige. "We hoorden een geluid dat we niet vertrouwden, en riepen dat iedereen naar buiten moest komen. Later bleek dat nog zeker één persoon onder het puin ligt. En boven zit de hond in de bench, maar die horen we nog wel. "[3]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. bench op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink geraadpleegd op 8 december 2021 Weblink bron “Slang kruipt uit toilet in Leiden” (14-07-2011), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 8 december 2021 Weblink bron “Bouwkraan op huizen Alphen a/d Rijn: een overzicht” (03-08-2015), NOS



Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bench benches

Zelfstandig naamwoord

bench

  1. bank
    «They are sitting on the bench
    Zij zitten op de bank.