beklemmend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·klem·mend

Werkwoord

vervoeging van: beklemmen
verbogen vorm: beklemmende

beklemmend

  1. onvoltooid deelwoord van beklemmen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen beklemmend beklemmender beklemmendst
verbogen beklemmende beklemmendere beklemmendste
partitief beklemmends beklemmenders -

Bijvoeglijk naamwoord

beklemmend

  1. benauwend, beangstigend
    • Bij angina pectoris heeft een patiënt een beklemmend gevoel op de borst. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.